Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Uitgebreid zoeken
Zandgronden
Zandgronden

Kenmerkend voor droge zandgronden is een verdichte, donkere laag door ingespoelde humus, die nog onder de bouwvoor aanwezig is. Het lage organische stofgehalte, het lage leemgehalte en de geringe bewortelingsdiepte maken dat er snel een vochttekort voor het gewas optreedt.

Bij droge zandgronden is het belangrijk om de organische stof op peil te houden. Dan blijft het vochtgebrek namelijk beperkt. Verder moet de bodem goed doorwortelbaar blijven. De gronden zijn vaak zuur. Aandacht vragen het op peil houden van de pH en de voedingsstoffen die gemakkelijk verloren gaan zoals stikstof, kalium en zwavel. 

Bij natte zandgronden kunnen de plantenwortels vocht bereiken uit het grondwater. De grondwaterstand wordt vaak kunstmatig beheerd en is daarmee van invloed op het beschikbare vocht. De ondergrond is meestal net zo verdicht als in de droge zandgronden. De ondergrond kan daardoor moeilijk doorwortelbaar zijn voor een gewas.

Een dergelijke storende laag kan ook een veenlaag zijn.
De afwisseling van natte en droge lagen maakt de gronden vaak gevoelig voor verkleven maar ook voor verstuiven onder droge omstandigheden.
Soms is er sprake van afgegraven hoogveen op lemig zand.
Dat heeft tot de zogenoemde veenkoloniale gronden geleid.
Naast het organische stofbeheer zijn grondbewerkingen (loswoelen), ontwatering (drainage) en bedekking in het najaar en winter (inzet groenbemesters) van belang voor zandgronden.​

 

Zandgronden;