De totale hoeveelheid stikstof in de bodem in mg N/kg Het geeft aan hoeveel N in potentie zou kunnen vrijkomen. Deze omvat zowel de direct opneembare voorraad voor de plant, de voorraad die de plant in een seizoen kan opnemen, als ook de restvoorraad die moeilijk opneembaar is en de komende jaren langzaam vrij komt. Deze meting is nodig om het N-leverend vermogen te kunnen berekenen.
Dit getal geeft de verhouding van koolstof en stikstof in de bodem weer en geeft een indicatie van de mate waarin stikstof vrijkomt. Een laag C/N-quotiënt (lager dan 12) geeft aan dat er verwacht mag worden dat N makkelijker vrijkomt. Een hoog C/N-quotiënt (hoger dan 18) geeft aan dat er verwacht mag worden dat er relatief minder makkelijk N beschikbaar komt uit de totale bodemvoorraad.
De hoeveelheid stikstof (kg N/ha) die beschikbaar kan komen tijdens het groeiseizoen door mineralisatie. Deze waarde is een berekende waarde. Of de stikstof beschikbaar komt hangt af van de factoren die de mineralisatie beïnvloeden zoals temperatuur, neerslag en bodemleven activiteit.
De hoeveelheid zwavel die direct opneembaar is voor het gewas in mg S/kg.
De totale hoeveelheid zwavel in de bodem in mg S/kg. Het geeft aan hoeveel S in potentie zou kunnen vrijkomen. Deze omvat zowel de direct opneembare voorraad voor de plant, de voorraad die de plant in een seizoen kan opnemen, als ook de restvoorraad die moeilijk opneembaar is. Deze meting is nodig om het S-leverend vermogen te kunnen berekenen.
Dit getal geeft de verhouding van koolstof en zwavel in de bodem weer en geeft een indicatie van de mate waarin zwavel vrijkomt. Hoe lager de C/S-ratio, des te meer S er door mineralisatie beschikbaar komt.
De hoeveelheid zwavel (kg S/ha) die beschikbaar kan komen tijdens het groeiseizoen door middel van mineralisatie. Deze waarde is een berekende waarde. Of de zwavel beschikbaar komt hangt af van de factoren die de mineralisatie beïnvloeden zoals temperatuur, neerslag en bodemleven activiteit.
De hoeveelheid fosfaat die direct opneembaar is voor het gewas in mg P/kg.
De hoeveelheid fosfaat die in meerdere jaren beschikbaar kan komen voor het gewas. De fosfaat is in minder makkelijke oplosbare verbindingen aanwezig dan de P plant beschikbaar.
De P-buffering geeft aan in welke mate de P plant beschikbaar aangevuld kan worden.
Met het Pw-getal wordt een mix van direct beschikbaar fosfaat en de bodemvoorraad gemeten. Tot nu toe wordt het bemestingsadvies voor akkerbouwgewassen hierop gebaseerd.
De hoeveelheid kalium die direct opneembaar is voor het gewas in mg K/kg.
De hoeveelheid kalium die op termijn beschikbaar komt voor het gewas. De voorraad is vooral gebonden aan organische stof en/of kleideeltjes (CEC).Kalium, calcium en magnesium staan in verhouding tot elkaar. Kalium is minder sterk gebonden aan het CEC dan calcium en magnesium en komt daardoor ook makkelijker vrij.
De hoeveelheid calcium die direct opneembaar is voor het gewas in mg Ca/kg.
De hoeveelheid calcium die op termijn beschikbaar kan komen voor het gewas. De calciumvoorraad is meestal vele malen groter dan dat het gewas nodig heeft. Met name op kalkrijke- en zeekleigronden. Op zure zandgronden kan calcium wel een aandachtspunt zijn. Calcium is op kleigronden ook van invloed op de bodemstructuur (CEC bezetting)
De hoeveelheid magnesium die direct opneembaar is voor het gewas in mg Mg/kg. Magnesium is op kleigronden ook van invloed op de bodemstructuur (CEC bezetting)
Alleen op graslandformulier: dit geeft de verhouding weer tussen K en Mg, wat vooral voor gras van belang is i.v.m. de voederwaarde. Een te hoge K/Mg-ratio kan leiden tot kopziekte bij melkvee.
De hoeveelheid natrium die direct opneembaar is voor het gewas in mg Na/kg. Natrium is vooral van belang voor de kwaliteit van suikerbieten en van grasland. Natrium heeft op kleigrond een negatieve invloed op de bodemstructuur (CEC bezetting).
De hoeveelheid silicium die direct opneembaar is voor het gewas in μg Si/kg.
De hoeveelheid ijzer die direct opneembaar is voor het gewas in μg Fe/kg.
De hoeveelheid zink die direct opneembaar is voor het gewas in μg Zn/kg.
De hoeveelheid mangaan die direct opneembaar is voor het gewas in μg Mn/kg.
De hoeveelheid koper die direct opneembaar is voor het gewas in μg Cu/kg.
De hoeveelheid cobalt die direct opneembaar is voor het gewas in μg Co/kg.
De hoeveelheid borium die direct opneembaar is voor het gewas in μg B/kg.
De hoeveelheid molybdeen die direct opneembaar is voor het gewas in μg Mo/kg.
De hoeveelheid selenium die direct opneembaar is voor het gewas in μg Se/kg. Dit is vooral van belang voor een goede voorziening van rundvee met Se.
De pH is een maat voor de zuurtegraad van de bodem. In theorie kan een meting van de pH variëren van 0 tot 14 op een logaritmische schaal: een pH van 7 wordt als neutraal beschouwd. Een meting lager dan deze waarde geeft aan dat de bodem “zuur” is, een hogere meting toont een “basische” bodem aan.
Het percentage koolstof dat aanwezig is in de organische stof in de bodem.
Het percentage organische stof in de bodem. Naast organische koolstof bestaat organische stof voornamelijk uit zuurstof, waterstof en stikstof. Organische stof heeft een rol bij heel veel bodemfuncties: het leveren van nutriënten, de activiteit van het bodemleven, vochtvasthoudend vermogen en bodemstructuur.
Het percentage koolstof dat aanwezig is in de bodem en dat niet organisch gebonden is. Bodems met een hoge pH bevatten anorganische koolstof in de vorm van CaCO3 of MgCO3.Bij verzuring verlaat de koolstof de bodem in de vorm van CO2.C-anorganisch buffert de pH bij verzurende meststoffen.
Het percentage koolzure kalk, calciumcarbonaat CaCO3, in de bodem. Het aandeel koolzure kalk in de bodem is een indicatie voor de mate waarin de pH wordt gebufferd (ofwel de verzuring wordt tegengegaan) en voor het naleveren van calcium.
Het percentage klei (lutum) waarbij de bodemdeeltjes niet groter zijn dan 2 micrometer (μm).
Het percentage silt waarbij de bodemdeeltjes tussen 2 en 50 micrometer (μm) zijn.
Het percentage zand waarbij de bodemdeeltjes groter dan 50 micrometer (μm) zijn.
Het kleihumuscomplex of cation exchange capacity. Het is de capaciteit van de bodem om positief geladen deeltjes zoals calcium, kalium, magnesium, natrium, waterstof en aluminium te binden en uit te wisselen met de bodemoplossing. Het geeft informatie over de voorraden van de positief geladen deeltjes in de bodem zoals kalium voorraad en calcium voorraad. Een hoge CEC leidt tot hogere voorraden.
Het aandeel van de bindingscapaciteit (CEC) die wordt bezet door nutriënten (Ca, Mg en K).
Het getal geeft aan hoeveel organische stikstof er door de activiteit van het bodemleven in een seizoen maximaal kan worden omgezet in minerale stikstof. Het geeft slechts 1 aspect van het bodemleven weer.
Het grootste deel van de stikstof in de bodem is aanwezig als organisch gebonden stikstof en kan vrij komen door mineralisatie. Daarbij ontstaan ammonium en nitraat.

Planten nemen stikstof op als nitraat (NO3) of als ammonium (NH4).

Voorbeeld: Percelen met een hoge C/N-ratio, een hoge N-voorraad en laag N-leverend vermogen hebben een lage N-beschikbaarheid. Afhankelijk van het geteelde gewas, betekent dat dat er een hoge behoefte is aan direct beschikbare stikstof. Dit kan worden verzorgd met een bemesting met drijfmest, of kunstmest.

De C/N ratio en N totale bodemvoorraad zijn moeilijk stuurbaar. Dit is slechts te beïnvloeden door een meerjarige aanvoer van organische stof via organische mest, compost, etc.

Het grootste deel van de zwavel in de bodem is aanwezig als organisch gebonden zwavel en kan vrij komen door mineralisatie.

Planten nemen zwavel op in de vorm van sulfaat (SO4).

De beschikbaarheid van zwavel voor het gewas wordt bepaald door de S-levering in de bodem (SLV), de aanvoer vanuit de lucht (depositie) en vanuit het grondwater (capillaire opstijging)

De C/S ratio en S-totale bodemvoorraad zijn moeilijk stuurbaar. Dit is slechts te beïnvloeden door een meerjarige aanvoer van organische stof via organische mest, compost, etc.

Planten nemen fosfor op in de vorm van fosfaten (H2PO4 of HPO4).

Het grootste deel van de fosfaat is in minerale vorm aanwezig, maar kan slecht oplosbaar zijn. Slechts een klein deel is organisch gebonden.

De pH is van invloed op de fosfaatbeschikbaarheid. De beschikbaarheid van fosfaat is een eigenschap van de bodem en daardoor moeilijk te beïnvloeden. IJzerrijke gronden hebben bijv. altijd een lage beschikbaarheid (fosfaatfixerend).

Planten nemen kalium op in de vorm van kalium ionen K+. Kalium is in opgeloste vorm en gebonden vorm (aan CEC) aanwezig in de grond. De K plant beschikbaar en (in mindere mate) K-bodemvoorraad zijn goed beïnvloedbaar door het bemesten met kalium of door calcium en/of magnesium te bemesten.

In de adviesbasis bemesting wordt rekening gehouden met het organische stof gehalte, lutum gehalte en de pH van de grond.

Planten nemen calcium op in de vorm van calcium ionen Ca2+. Calciumbemesting is het toedienen van het element calcium (Ca). Veel meststoffen bevatten Ca (b.v. kalkammonsalpeter). Bij bekalking gaat het om de toediening van meststoffen die CO3 2-(carbonaat) bevatten waarmee de pH van de grond verhoogd kan worden. Veel kalkmeststoffen bevatten Ca, maar daarnaast ook vaak Mg.
Planten nemen magnesium op in de vorm van het tweewaardige Mg 2+-ion. De werkzaamheid van magnesium in een meststof wordt bepaald door de magnesiumvorm die wordt toegediend. Voor een snelle werking biedt magnesiumnitraat of magnesiumsulfaat een oplossing voor bodemtoepassing volstaat een magnesiumcarbonaat.
In het algemeen is van suikerbieten bekend dat het een invloed heeft op de winbaarheid van de suiker. Op grasland heeft natrium een effect op de smakelijkheid van het gewas.
Sporenelementen zijn nutriënten die van groot belang zijn, maar waarvan slechts zeer kleine hoeveelheden nodig zijn. Een te grote dosis kan zelfs giftig zijn. Bij een goede pH-waarde en gebruik van organische mest komen gebreksverschijnselen zelden voor. De belangrijkste risico’s voor akkerbouwgewassen zijn een te kort aan mangaan en borium. Voor veevoeding spelen alle sporenelementen een rol voor de diergezondheid, maar gaat het vooral om Cu, Co, Se en Zn.
De pH speelt een belangrijke rol in de oplosbaarheid van voedingsstoffen. Als deze voldoende oplosbaar zijn in het bodemvocht kan de plant deze voedingsstoffen opnemen. De zuurgraad beïnvloed mede de ontwikkeling en activiteit van het bodemleven. Bodemleven is belangrijk voor de afbraak van organische stof waardoor voedingsstoffen vrij komen. Op zure gronden kan de pH verhoogd worden door te bekalken. Op kalkrijke gronden is het niet mogelijk om de pH te verlagen door het bufferend vermogen vanwege de kalk.
Aangezien streefwaarden voor organische stof gehalten ontbreken is het advies om het organische stof gehalte te handhaven. Afbraak en aanvoer van organische stof moeten hiervoor in balans zijn. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de organische stofbalans.
Het aandeel koolzure kalk is moeilijk te verhogen en is geen doel op zich. Met kalk is wel de pH te beïnvloeden.
De fracties klei, silt en zand worden samen de bodemtextuur genoemd en hebben invloed op de bodemstructuur en de vorming van bodemaggregaten. De verhouding tussen de hoeveelheid zand, silt en klei bepaalt het vochthoudend vermogen en de gevoeligheid van de bodem voor verslemping.

Het toevoegen van organische stof en calcium aan de bodem verminderd de kans op verslemping.

Kleimineralen en organische stof hebben een negatief geladen oppervlak dat positief geladen deeltjes (als Ca2+, Mg2+, K+, Na+, H+ en Al3+) aantrekt. Een bodem met een hoge CEC kan meer kationen binden en heeft daarmee een hogere vruchtbaarheid dan een bodem met een lage CEC. In zandgronden wordt de CEC vrijwel volledig bepaald door de aanwezige organische stof en hebben daarom in het algemeen een lagere CEC dan kleigronden.
De bezettingsgraad en de grootte van de CEC bepalen hoeveel voedingsstoffen er kunnen worden nageleverd. Hoe hoger de bezettingsgraad of de CEC hoe meer van deze voedingsstoffen kunnen worden nageleverd. Een bezetting van 80 % of hoger is gewenst. Een lage CEC-bezetting betekent vaak een te lage pH van de grond. (in verhouding veel H+ aan het complex). Het betekent ook vaak te weinig Ca2+: oorzaak van een slechtere structuur. Een lage CEC en een lage CEC bezetting betekenen beide dat er weinig kalium, magnesium en calcium kunnen worden vastgehouden.